23 - 09 - 2018

Cor Booy 1903 ~1988


Cor Booy. Geboren in 1903 en opgegroeid in en om St.Pancras, waar het van jongs af aan hard meewerken geblazen was in het bedrijf van vader. Behalve op zondag, dan werd alleen de noodzakelijke arbeid voor het vee verricht. Op die dag ook zat vader Cornelis nogal eens aan het harmonium om een psalm te spelen die ze in de dienst gezongen hadden of hij improviseerde zomaar wat; de kleine Cor kwam dan soms naast hem staan, omdat hij een orgel zo’n mooi ding vond. Omdat vader dit al gauw in de gaten had praatte hij eens met Piet Hartman, een musicus ter plaatse, die meteen bereid was het ventje les te geven. Het notenschrift bleef duister voor hem want ondanks het feit dat hij steeds bedrevener werd in het spelen van de muziek van Bach, Widor en Händel, nog steeds speelde hij alles uit het hoofd: wat hij een keer gehoord had kon hij feilloos naspelen. Dit werd zo'n succes, dat Cor reeds enkele jaren later, op tienjarige leeftijd het kerkorgel tijdens de diensten mocht bespelen en alom werd hij geprezen voor de wijze waarop hij zich van deze taak kweet. Zo’n kerkorgel was natuurlijk veel massaler en indrukwekkender dan het harmonium thuis en daarom toog Cor naar Alkmaar om de grote Jan Zwart te horen als die in de Grote Kerk een concert gaf. Uiteraard luisterde hij ook naar andere organisten van naam als die daar een concert gaven, maar Jan Zwart werd hem het dierbaarst van allen.

Op den duur echter kon hem het orgel thuis minder boeien, het schonk hem niet meer die voldoening waarnaar zijn hart uitging. Hij wilde grotere mogelijkheden, een groter geluidsvolume, kortom er moest een kerkorgel komen, een verlangen dat hem niet meer los zou laten. Dus stapte hij op een goede dag naar de firma Ant. Pels in de naburige kaasstad, waar heel wat uurtjes werd gepraat. Het resultaat was dat ten huize van zijn broer, die al getrouwd was, een kostbaar kerkorgel werd opgebouwd; 't kreeg 1200 pijpen, 15 stemmen verdeeld over 2 klavieren met pedaal en kostte de somma van achtduizend gulden. Daarmee kon Cor goed uit de voeten en er ging geen dag voorbij of hij kroop een paar keer op de bank, om nu eens de toetsen te strelen en ze dan weer fors neer te drukken. Tot groot genoegen, niet alleen van zijn naaste familie, maar evengoed van tal van dorpelingen onder wie er waren die niet bij hem weg waren te slaan.

Na de oorlog kocht hij in het dorp een kapitaal huis, stapte opnieuw naar Pels, die het orgel bij broer Gerrit demonteerde om het weer in Cor's eigen woning op te bouwen. Na enige tijd ontstond er een probleem rondom het orgel. Was het aanvankelijk zijn bedoeling geweest dit voorlopig maar te laten staan waar het stond, geheel onverwachts werd hem duidelijk gemaakt dat zulks niet langer mogelijk was. Het leegstaande deel van het huis werd door de gemeente gevorderd ten behoeve van een onderwijzer en dus moest het orgel er uit.

Maar waarheen? In het ouderlijk huis in de Daalmeer kon het onmogelijk geplaatst worden. Toen over deze kwestie berichten verschenen in de plaatselijke bladen kwamen er van heinde en verre mensen opdagen die het instrument voor een zacht prijsje wilden overnemen. "Dat nooit", zei Cor en kocht zand, stenen en cement om daarmee zelf een flinke garage tegen het boerderijtje van Pa en Ma aan te bouwen. Misschien was er nog wel ruimte voor het orgel te vinden geweest in de stal of de schuur maar die kon hij met het oog op de koeien en de gladiolenteelt slecht missen. Nadat hij z'n metselwerk tot een goed einde gebracht had -dat was in 1954- toog hij opnieuw naar de firma Pels om zijn kostbaar bezit voor de tweede keer te laten afbreken en voor de derde maal weer in elkaar te laten zetten, ditmaal in een royale omgeving: een keurig zaaltje van 10 meter lengte, 5 meter breedte en 3 meter hoogte.

Tientallen orgelconcerten zijn er daar al, temidden van kool en gladiolen, gegeven; in de huiskamer konden, met een beetje goede wil, wel zestig mensen zitten. De meesten vonden het geweldig, maar Cor was niet tevreden: de akoustiek kon hem slechts matig bekoren. Hij liet zich hierover dan ook voorlichten, bestudeerde de materie in diverse boeken en broedde op nog veel grotere plannen, die eind 1959 in daden werden omgezet.

Het nog maar 5 jaar oude zaaltje werd met de grond gelijk gemaakt en aannemer Simon Zegers uit St.Pancras bouwde een nieuwe zaal, een ware kerkzaal van 20 meter lengte, 7 meter breedte en 5,2 meter hoogte waar gemakkelijk 150 mensen een zitplaats konden vinden. Het plafond van de zaal schilderde hijzelf blauw, rond de in het plafond gewerkte lampen schilderde hij sterren; volgens Cor was dat de hemel.

Zijn neef schilderde op de ramen het scheppingsverhaal en wel zo weergaloos knap, dat de meeste bezoekers pas doorkrijgen dat het geen glas-in-lood ramen zijn als hen verteld wordt wie de schilder is. Het orgel werd aangepakt en het aantal pijpen steeg van 1200 naar 1900. En op 21 mei 1960 was het zover: orgelzaal Booy werd in z'n definitieve vorm officieel geopend.

 

Nu nog enkele gegevens van het orgel.

Dispositie van het orgel

(electro-pneumatisch; oorspronkelijk: Pels, 1943; laatste reparatie en aanvulling februari 2005)

Hoofdwerk (I)

Zwelwerk (II)

Pedaal

Speelhulpen

Prestant 8’

Viola da gamba 8’

Prestant 16’

Koppels I + II, I + II 16’

Salicionaal 8’

Vox celestis 8’

Subbas 16’

I + II 4’, P + I, P + II

Bourdon 8’

Nachthoorn 8’

Octaafbas 8’

1x vrije combinaties over alle registers;

Gemshoorn 4’

Fluit harmonique 4’

Gedekt 8’

3 vaste combinaties voor piano/mezzo forte/ forte;

Octaaf 2’

Nasard 2 2/3

Fluit 4’

automatisch pedaal

Quint 2 2/3

Woudfluit 2’

Fagot 16’

(zichzelf omschakelbaar voor overgang

Mixtuur 1 1/3III-IV st.

Terts 1 3/5

Trombone 8’

van I naar II of anders om)

Sesquialter 2 st. (vanaf kl.a)

Hobo 8’

Klaroen 4’

omvang manuaal C - G3

Trompet 8’

Tremolo

 

omvang pedaal C - F1

Tremolo

 

 

trede generaal crescendo en trede zwelwerk

Voor meer informatie over Cor Booy en/of het orgel klik hier